Strategisch verdichten vraagt om meer groene data

Innovatie
Ruimtelijke ontwikkeling
Louisa van den Brink
Stedenbouwkundig ontwerper
06 juli 2022

Je hebt groen en je hebt ecologisch groen. Praat je over ecologisch groen, dan is dat geen groene woestijn of lekker strak gazon, maar dan gaat het over biodivers groen. Groen waarop je kunt bouwen. Of beter gezegd, omheen kunt bouwen. De stedenbouwkundige ambitie moet al in een vroeg stadium samengaan met de ecologische.

Hun gemene deler is de werkgever: Witteveen+Bos én hun ambitie -> biodiversiteit realiseren binnen gebiedsontwikkeling. Niet als groen sluitstuk, maar als biodiverse start. Kost een beetje aandacht, levert veel meer op. Denk alleen al aan de blije bewoners boven en onder de grond. 

Ontwerpinspiratie

“Natuur en landschap bieden dé oplossing voor heel veel problemen waarmee we tegenwoordig te maken hebben. Ontwerpinspiratie voor stedelijk ontwerp dus eigenlijk.” Louisa van den Brink, stedenbouwkundig ontwerper, houdt zich bezig met natuurvermeerderende stedenbouw en is van mening dat je ecologie zo vroeg mogelijk bij gebiedsontwikkeling moet betrekken. Dat beaamt ecoloog Annelies van de Craats direct, want volgens haar kun je het groene spectrum van zowel links als rechts benaderen. Oftewel, het groene vinkje aan het einde, want het voldoet aan wetgeving met groen dak en nestkasten, of, zoals Louisa ook al zei, de ecoloog vanaf scratch benaderen … “Ik wil graag dat het project een positieve bijdrage levert aan de natuur en niet alleen maar natuurneutraal is, zeg maar, als in: geen schade. Ik wil dat je iets meer kan doen en dat kan relatief simpel, alleen moet je er dan iets meer aandacht aan besteden.” Data helpt daarbij, maar: “Vanuit data kijken we nog te beperkt naar de rol van groen en biodiversiteit”, en Joris Timmermans kan het weten, want hij is data-analist en vangt onze stedelijke gezondheid in getallen. 

Habitat

Deze drie-eenheid opereert graag samen en daar kwamen ze bijna bij toeval achter. Louisa vertelt hoe hun intensieve samenwerking van start ging: “Ik had Joris’ hulp nodig voor een vraag.” Wanneer Louisa zich ten volle realiseert hoeveel verschil het maakt voor een habitat of je kiest voor een flatgebouw of uitgestrekte rijwoningen, wil ze dit staven aan gegevens. Want met een flat houd je openbare ruimte vrij die je kunt invullen met bijvoorbeeld een poel, waarmee je de salamander – mogelijk een doelsoort – kunt beschermen. Maar praat je over rijtjeshuizen, praat je over privégroen, dan kun je de soort niet beschermen. Hoe meet je die invloed? Joris: “Het is meer rekenen, niet meten. Waarbij je vooral uitgaat van wat er al is. Hoe ziet dat eruit en hoe hangt dat in relatie met wat je wilt verbeteren, in dit geval ecologie.” 

Als hij onderzoek doet naar bijvoorbeeld de egel, dan gaat dat als volgt in zijn werk. “Stel je wilt de habitat van de egel verbeteren. Kun je dan uit de literatuur halen wat egels nodig hebben? En kun je vanuit data kijken naar hoeveel egels ergens al zijn? Kom je in de literatuur tegen dat lage bebossing goed voor ze is, dan ga je kijken of daar data van is, moeten we dat zelf gaan verzamelen, kunnen we dat ergens uit berekenen? Vervolgens kun je concluderen hoe de situatie er nu uitziet en zeggen: we willen meer egels of we willen ze behouden en samen met Annelies kijken naar wat voor soort lage bebossing we dan gaan toevoegen.”

Aansluiting 

“Het gaat niet alleen om het plangebied, maar om alles daaromheen”, vult Annelies aan. “Welke landschappen zijn er in de wijk of in de stad? Waar grenst het aan: rivier, Veluwe, weidegrond? Welke soorten zitten daar?” Je kunt niet alle soorten de stad inlokken, want niet alles overleeft daar – al is het maar omdat de huiskat een bedreiging vormt – … iets om rekening mee te houden. Praat je over verdichten, dan is het belangrijk om het plangebied aan te laten sluiten op groen en blauw. Annelies maakt concreet hoe deze overloop eruit kan zien: “Vleermuizen bijvoorbeeld, die wonen in gebouwen, de rotsen die wij hebben gebouwd. Maar hij heeft ook een gebied nodig om te eten binnen of buiten de stad ... Een vleermuis is mobiel. Een egel kan ook hele afstanden afleggen, maar wat als-ie een snelweg tegenkomt?” Allemaal zaken om vooraf over na te denken, en dat voordat de soort wegkwijnt in een omgeving die niet langer de zijne is. 

Ecologisch 

“Het is vaak gemeentebeleid om alles te verdichten”, gaat Louisa verder. “Dan ga je alle overplekjes en overhoekjes aan de rand van onze steden verdichten met woningbouw, vanuit de gedachte dat dat ecologisch goed is om het open landschap te beschermen.” Maar dat is eigenlijk gek, want steden hebben ecologisch gezien juist enorm veel potentie, terwijl agrarisch landschap vrij homogeen is. In de stad, aan de stadsrand, komen juist de meer bijzondere soorten tevoorschijn. Denk maar aan begraafplaatsen, sportvelden of volkstuinen. Uitwisseling tussen stad en platteland door een halfzachte randzone is ecologisch en sociaal gezien heel kansrijk. De natuur van dichtbij kunnen beleven en ervaren is ook voor ons mensen van grote waarde … 

Louisa: “Als we breder kijken naar de gebiedsontwikkeling aan de rand van onze steden en de randzones multifunctioneel inrichten met recreatie – daar hebben we ook te weinig van, natuurgebieden raken overbelast –, extensief wonen, stadslandbouw, energieopwekking, dan krijgen we een landschap dat voorziet in de behoefte van mensen en dieren in de stad. Dat we daar plek voor maken en niet alles bedreigen door verdichten.” Mooi statement, maar hoe dan? Volgens Joris is dat niet zo ingewikkeld: “Leg in plaats van een saai grasveld een stadsbos aan en zet dat ook al vanaf het begin van het plan vast. Hoe gaan we dat groen goed inzetten? Er wordt ruimte voor groen gehouden en er zijn allemaal normen voor wat het minimaal moet zijn, maar als je dan de kwaliteit van die minimale norm berekent …”, zucht Joris. “Ik denk dat dat het startpunt is.” 

Bestemming groen

Annelies: “Precies wat Joris zegt, als je op de kaart kijkt, dan is iedere centimeter groen aangemerkt als groen, maar wat is dan groen? Denk nog even aan die egel, we hebben geen databank met daarin alle struiken boven een halve meter. Vraag je het aan beheer, dan weten zij het vaak ook niet.” “We weten wel waar elke rioolafvoer, elke kolk, straatlantaarnpaal of prullenbak staat, op de centimeter precies, maar we weten alleen dat iets bestemming groen heeft. Wat dat is, daar moet je dan zelf achter komen”, dat is dan ook wat Joris’ nu doet.  

 

Maar het is niet alleen maar kommer en kwel, gaat hij verder. “In Nederland lopen we wat betreft databeheer héél erg voor op de rest van de wereld.” Gelukkig maar. “Wat het vooral is, is dat waar we al zo goed in zijn actiever inzetten om ook ecologische doeleinden te meten.” Annelies haakt aan met een bestaande databank voor flora en fauna [NDFF], waarin alle gevalideerde waarnemingen vanuit verschillende bronnen worden bijgehouden. Wat dan blijkt: vogels tellen we graag, pissebedden minder en soms wil een opdrachtgever wel meten maar niet weten, dus komt ook niet alle relevante input in de databank terecht. Joris: “Bij andere data verplicht de overheid deze bij te houden, ecologische data vallen daar voor een groot deel niet onder. Of iets groen is, moeten we bijhouden, maar voor de rest heeft het nog niet voldoende prioriteit.” 

Volgens Louisa komt ons groen alleen maar meer in het gedrang door alle innovaties, van auto tot zonneveld. “Groen krijgt niet dezelfde urgentie en waardering als een pijpleiding of elektriciteitskabel, die ligt vast, daar moeten we omheen plannen. Vroeger waren de wijken een stuk groener, het idee achter al dat groen is vergeten, alle innovaties snoepen dat groen op. Als we nu niet opletten, krijgen we toekomstige ruimtevraag van innovaties die wéér dat groen opeten.”   

Aanpassen

Gelukkig passen soorten zich op den duur aan, leren we van Annelies. “Maar heb je altijd in een boom geleefd, woon je niet ineens in een gebouw.” Zoals de merel, in het buitengebied schuw, maar in de stad ontpopt-ie zich tot een sociale vogel. “Daarvoor moet je wel eerst de ecologische randvoorwaarden creëren. Weet je, we beginnen met gebiedsontwikkeling vaak weer helemaal opnieuw. Je gooit er een berg zand op, laat dat inklinken. Je hele bodemleven is dan naar z’n grootje …” Letterlijk het ondergeschoven kindje dus. “Niet heel handig, want iedereen wil alles graag snel groen en leefbaar. Gebruik een bronpunt als basis, bouw daaromheen.” “Er is al heel veel”, beaamt Louisa. 

Strategisch verdichten

“We verdichten op plekken die eigenlijk heel waardevol zijn, doordat we nog niet de data hebben die dit inzichtelijk maken. Dat is niet wenselijk. Maar er zijn wel plekken waar je kunt verdichten, daar kun je meer waarde creëren met een groen dak, et cetera. Door beter inzicht te hebben in groen en de kwaliteit daarvan, kunnen we strategisch verdichten”, aldus Louisa. Deze positieve experts verwachten alvast een groene vlucht en een robuuster ecosysteem binnen de stedelijke ontwikkeling.